Uitspraak
200509264/1vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3 van Pro de Awb worden afgezien, indien naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De argumenten die appellanten in bezwaar naar voren hebben gebracht, rechtvaardigden de conclusie dat gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake verzoeken om openbaarmaking op grond van de Wob in zaken als deze reeds aanstonds buiten twijfel was dat hun bezwaar ongegrond was, nu deze argumenten in die jurisprudentie aan de orde zijn geweest en niet zijn aanvaard.
200400880/1(AB 2004, 366) en 16 februari 2005 in de zaken nos.
200403569/1en
200405218/1, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, door de rechter integraal dient te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van Pro de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.