AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen weigering bouwvergunning en vrijstelling voor kas in agrarisch gebied
Het college van burgemeester en wethouders van Haaren weigerde op 14 december 2004 een bouwvergunning en vrijstelling voor het oprichten van een kas op een perceel met de bestemming agrarisch gebied, omdat het bouwplan niet binnen het bestemmingsplan paste. Appellant stelde bezwaar en beroep in tegen deze weigering, waarbij de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep richtte appellant zich uitsluitend op de wijzigingsbevoegdheid in artikel 8.6.2 van het bestemmingsplan.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de overwegingen van het college over de wijzigingsbevoegdheid in het besluit van 14 december 2004 niet als een besluit met rechtsgevolg kunnen worden aangemerkt. Het besluit van 28 april 2005, waarin het college het verzoek tot vaststelling van een wijzigingsplan afwees, is een primair besluit waartegen eerst bezwaar had moeten worden gemaakt voordat beroep kon worden ingesteld.
De rechtbank had het beroep door moeten zenden aan het college voor behandeling als bezwaarschrift, maar heeft dit nagelaten. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het beroepschrift wordt doorgezonden als bezwaarschrift. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellant.
Deze uitspraak benadrukt het belang van de juiste procedure bij besluiten over wijzigingsbevoegdheden binnen bestemmingsplannen en bevestigt dat de rechter een beroep niet-ontvankelijk moet verklaren indien een bezwaarprocedure is voorgeschreven en niet is gevolgd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand bezwaarschrift en het beroepschrift wordt als bezwaarschrift doorgezonden.
Uitspraak
200602446/1.
Datum uitspraak: 27 december 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1787 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 februari 2006 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Haaren.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een kas op het perceel kadastraal bekend Haaren, sectie […], nummer […] (verder: het perceel).
Bij besluit van 28 april 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 februari 2006, verzonden op 21 februari 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 8 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2006, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.M.F. Paijmans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [derdebelanghebbende].
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid en onder c, van de Woningwet mag slechts en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien, voor zover hier van belang, het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld. Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO) geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.
2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren 1996" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied". Niet in geschil is dat het bouwplan niet past binnen de ingevolge deze bestemming geldende bebouwingsvoorschriften voor de gronden.
2.3. Het college heeft naar aanleiding van de door appellant ingediende bouwvergunningaanvraag bij besluit van 14 december 2004 geweigerd bouwvergunning te verlenen omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en geen vrijstelling kon worden verleend. In de overwegingen bij dit besluit is het college tevens ingegaan op de wijzigingsregels in artikel 8.6.2. van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren 1996". Bij brieven van 3 januari 2005 en 17 januari 2005 heeft appellant in reactie op de overwegingen van het besluit van het college van 14 december 2004 betoogd dat wordt voldaan aan de wijzigingsregels in artikel 8.6.2. van de planvoorschriften. Appellant heeft het college daarbij verzocht een wijzigingsplan vast te stellen. Bij besluit van 28 april 2005 heeft het college afwijzend beslist op dit verzoek. Tegen deze beslissing heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.
2.4. In beroep en hoger beroep is enkel de in artikel 8.6.2. van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid in geschil. Appellant heeft in beroep en hoger beroep niet gesteld dat het college ten onrechte de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning heeft geweigerd.
2.4.1. Niet in geschil is dat appellant bij het indienen van de bouwvergunningaanvraag niet tevens een verzoek heeft gedaan tot toepassing van de in artikel 8.6.2. van de bestemmingsplanvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Ter zitting heeft het college omtrent de in het besluit van 14 december 2004 opgenomen overwegingen met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid gesteld dat deze opmerkingen van informatieve aard zijn. Gelet op de inhoud van de overwegingen, het dictum van het besluit van 14 december 2004 en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat de overwegingen van het college omtrent de wijzigingsbevoegdheid niet op rechtsgevolg zijn gericht, waaruit volgt dat hetgeen is overwogen in het besluit van 14 december 2004 voor zover daarbij wordt ingegaan op de wijzigingsbevoegdheid niet is aan te merken als een besluit inzake de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb).
De Afdeling stelt gelet op het vorenstaande ambtshalve vast dat het besluit van 28 april 2005, voor zover bij dit besluit is beslist op het in de brieven van 3 januari 2005 en 17 januari 2005 neergelegde verzoek van appellant tot het opstellen van een wijzigingsplan, een primair besluit betreft waartegen op grond van artikel 7:1 vanPro de Awb eerst een bezwaarschrift behoorde te worden ingediend, alvorens beroep kon worden ingesteld bij de rechtbank. Het tegen dit laatstgenoemde besluit door appellante ingestelde beroep had door de rechtbank met toepassing van artikel 6:15 vanPro de Awb aan het college moeten worden doorgezonden teneinde door hem als bezwaarschrift te worden behandeld. Nu de rechtbank dit heeft nagelaten dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Het beroepschrift zal ter behandeling als bezwaarschrift aan het college worden doorgezonden.
2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 februari 2006 in zaak no. AWB 05/1787;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haaren tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haaren aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
V. gelast dat de gemeente Haaren aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. Langeveld, ambtenaar van Staat.