Het college van burgemeester en wethouders van Zederik weigerde op 30 januari 2004 een bouwvergunning voor de uitbreiding van een woning op een perceel te verlenen. Na bezwaar verleende het college alsnog de vergunning bij besluit van 3 mei 2006. De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht vernietigde dit besluit op 12 juni 2006.
Verzoekers stelden hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten op 27 november 2006 om een voorlopige voorziening. De Voorzitter behandelde het verzoek op 20 december 2006, waarbij partijen en belanghebbenden werden gehoord.
De Voorzitter oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak, aangezien de mogelijke gezinsuitbreiding onvoldoende urgentie bood en het verzoek feitelijk gericht was op een spoedige uitspraak in de bodemprocedure, wat niet via een voorlopige voorziening kan worden verkregen. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
200605196/4.
Datum uitspraak: 28 december 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. 06/694 en 06/792 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 12 juni 2006 in het geding tussen:
[wederpartijen],
en
het college van burgemeester en wethouders van Zederik.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2004, verzonden op 23 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zederik (hierna: het college) geweigerd aan [verzoeker a] bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 3 mei 2006 heeft het college het bezwaar van verzoekers tegen het besluit van 30 januari 2004 gegrond verklaard en aan [verzoeker a] alsnog bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel en het besluit van 24 december 2004 (lees: 30 januari 2004) herroepen.
Bij uitspraak van 12 juni 2006, verzonden op 27 juni 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [wederpartijen] tegen het besluit van 3 mei 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 3 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 27 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 december 2006, waar [verzoeker a], bijgestaan door mr. P.A. van Lange, advocaat te Dordrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.E.J. van Buren-Buijs, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartijen] als belanghebbende daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State gelezen in samenhang met artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Voorzitter van de Afdeling hangende het hoger beroep een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2. Verzoekers betogen dat zij spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening vanwege een mogelijke verdere gezinsuitbreiding. In de enkele mogelijkheid van een verdere gezinsuitbreiding is geen spoedeisend belang gelegen dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het betoog van verzoekers ter zitting dat de waarde van hun woning die thans te koop staat zou stijgen en eerder verkocht zou worden mochten zij beschikken over een bouwvergunning is niet gericht op het verkrijgen van een voorlopige voorziening hangende de bodemprocedure, doch uitsluitend op een spoedig eindoordeel over de met het hoger beroep aan de Afdeling voorgelegde vraag over de bouwmogelijkheden ter plaatse. Dit eindoordeel kan alleen in de bodemprocedure worden gegeven. Gezien de samenhang die de wetgever in de Awb heeft gelegd tussen de artikelen 8:81 en 8:86, lenen die artikelen zich niet voor toepassing om uitsluitend een spoedige uitspraak in de hoofdzaak te verkrijgen.
2.3. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van Staat.