ECLI:NL:RVS:2006:AZ5974

Raad van State

Datum uitspraak
18 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200605220/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • R. van der Spoel
  • D. Roemers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister terecht in afwijzing aanvraag verblijfsvergunning wegens foutief formulier

De minister wees de aanvraag van de vreemdeling om een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat door de minister ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de minister, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister de aanvraag had moeten behandelen als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De vreemdeling had immers geen juiste aanvraag ingediend.

De Raad van State stelde vast dat het feit dat de vreemdeling een foutief aanvraagformulier had ondertekend en dat de minister wist dat de vreemdeling verblijf bij haar partner nastreefde, niet tot een andere beoordeling leidde. De bezwaren van de vreemdeling konden daarom niet tot een ander besluit leiden.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

200605220/1.
Datum uitspraak: 18 december 2006
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/12788 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 19 juni 2006 in het geding tussen:
[vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 23 februari 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 19 juni 2006, verzonden op 21 juni 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 1 augustus 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, hij de door de vreemdeling ingediende aanvraag in bezwaar had dienen te behandelen als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
2.2. De rechtbank heeft, zoals de minister terecht aanvoert, aldus miskend dat indien de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wenst, zij een daartoe strekkende aanvraag moet indienen. Dat in bezwaar door de vreemdeling naar voren is gebracht dat een foutief aanvraagformulier is ondertekend en vanaf 30 juli 2002 bij de minister bekend was dat de vreemdeling verblijf bij haar partner nastreefde kan hieraan niet afdoen. De overigens door haar in bezwaar aangevoerde omstandigheden kunnen dat evenmin. De grieven slagen.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling nog als volgt.
2.4. Uit hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen volgt dat de beroepsgrond dat de minister niet heeft mogen afzien van het horen in bezwaar eveneens faalt. Nu vast stond dat geen aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd was ingediend, was er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat de gemaakte bezwaren slechts tot ongegrondverklaring daarvan konden leiden.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 19 juni 2006 in zaak no. AWB 05/12788;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en
mr. R. van der Spoel en D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g. Scheerhout
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2006
318
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak