ECLI:NL:RVS:2006:AZ5995
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid verblijf en inbewaringstelling Bulgaarse vreemdeling zonder voldoende middelen
Appellant, een Bulgaarse nationaliteit en vrijgesteld van visumplicht, verbleef sinds twee maanden in Nederland zonder voldoende middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien. De minister stelde dat hierdoor de vrije verblijfsperiode op grond van artikel 12 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw 2000) was geëindigd en dat appellant niet rechtmatig verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees zijn verzoek om schadevergoeding af. Appellant voerde onder meer aan dat hij vrijgesteld was van de visumplicht en dat hij zich nog binnen de vrije termijn bevond. De Raad van State oordeelde dat appellant niet beschikte over voldoende middelen zoals vereist, waardoor zijn verblijf niet bij of krachtens artikel 12 Vw Pro 2000 was toegestaan.
De Raad bevestigde dat appellant Nederland onmiddellijk diende te verlaten en dat de minister terecht de inbewaringstelling had bevolen vanwege het niet naleven van de vertrektermijn. Het hoger beroep werd als kennelijk ongegrond verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de inbewaringstelling bevestigd omdat appellant niet over voldoende middelen beschikte en niet rechtmatig verbleef.