ECLI:NL:RVS:2006:BA4630

Raad van State

Datum uitspraak
14 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200604201/4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • S.W. Schortinghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet op de Ruimtelijke Ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging goedkeuringsbesluit bestemmingsplan zonder gevolgen voor vrijstellingsbesluit

Het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim verleende op 31 januari 2006 vrijstelling voor bouw- en woonrijp maken van het terrein Wergea-West fase 1 en 2. Verzoekers stelden beroep in tegen dit besluit en verzochten om een voorlopige voorziening nadat de voorzieningenrechter hun beroep ongegrond verklaarde.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 11 april 2006 betreffende het bestemmingsplan "Wergea-West, fase 1 en 2 (Grut Palma)" wegens het niet ingaan op bedenkingen van een verzoeker, maar onthield daarbij geen goedkeuring aan het bestemmingsplan zelf.

Verzoekers voerden aan dat hierdoor de ruimtelijke onderbouwing voor het vrijstellingsbesluit is komen te vervallen, zodat het vrijstellingsbesluit niet in stand kan blijven. De Raad van State oordeelde echter dat de situatie verschilt van eerdere jurisprudentie waarbij goedkeuring aan het bestemmingsplan werd onthouden. Omdat aan het bestemmingsplan zelf geen inhoudelijke overwegingen zijn gewijd, kan het bestemmingsplan nog steeds als ruimtelijke onderbouwing dienen.

Daarom wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 14 december 2006 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen; het vrijstellingsbesluit blijft in stand ondanks vernietiging van het goedkeuringsbesluit.

Uitspraak

Raad
van State
200604201 /4.
Datum uitspraak: 14 december 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoekers], wonend te [woonplaats], gemeente Boarnsterhim, verzoekers,
tegen de uitspraak in zaak nos. 06/706 en 06/707 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 24 april 2006 in het geding tussen:
verzoekers en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim, voor zover thans van belang, vrijstelling verleend voor het bouw- en woonrijp maken van het terrein Wergea-West fase 1 en 2 (Uitbreidingswijk Grut Palma).
Bij uitspraak van 24 april 2006, verzonden op 27 april 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [verzoeker] en twaalf anderen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben onder meer verzoekers, bij brief van 7 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 juli 2006.
Bij brief van 8 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers en anderen de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 19 juli 2006 heeft de Voorzitter het verzoek afgewezen. Bij brief van 23 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers wederom verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter doet uitspraak zonder zitting.
2.2. Verzoekers voeren aan, dat de Afdeling bestuursrechtspraak inmiddels bij uitspraak van 17 november 2006 in zaak no. 200604017/3 hun beroepen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 11 april 2006, waarbij is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Wergea-West, fase 1 en 2 (Grut Palma)", gegrond heeft verklaard en het betrokken besluit heeft vernietigd. Dit brengt met zich, aldus verzoekers, dat de ruimtelijke onderbouwing aan het betrokken project is komen te ontvallen en het vrijstellingsbesluit van het college van 31 januari 2006 derhalve evenmin in stand kan blijven. Verzoekers verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 december 2005 in zaak no. 200501043/1 (www.raadvanstate.nl en AB 2006/114).
2.3. Het betoog van verzoekers faalt. In de uitspraak van 7 december 2005 wordt, voor zover hier van belang, overwogen dat het gegeven dat de vrijstellingsprocedure en de bestemmingsplanprocedure losstaande procedures zijn, niet wegneemt dat indien een bestemmingsplan wegens strijd met het recht niet in stand kan blijven, een vrijstellingsbesluit waaraan dat bestemmingsplan als ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd, evenmin in stand kan blijven.
Daarbij is overwogen, dat de Afdeling bij uitspraak van 9 juni 2004 het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 22 april 2003, waarbij goedkeuring is verleend aan onder meer het daar in geding zijnde bestemmingsplan "Om de Haenen" heeft vernietigd. De Afdeling heeft bij laatstbedoelde uitspraak goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan.
Die situatie verschilt van de thans te beoordelen situatie. Het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 11 april 2006 is weliswaar door de Afdeling vernietigd, doch daarbij is niet tevens goedkeuring onthouden aan het betrokken bestemmingsplan. De vernietiging is erop gebaseerd, dat ten onrechte niet op bedenkingen van een van de verzoekers is ingegaan. Aan het bestemmingsplan zelf zijn geen inhoudelijke overwegingen gewijd. Onder deze omstandigheden biedt de uitspraak van 17 november 2006 op zichzelf geen grond voor het oordeel dat het betrokken bestemmingsplan niet als ruimtelijke onderbouwing kan dienen. Hetgeen verzoekers aanvoeren biedt geen grond om tot een ander oordeel te komen dan neergelegd in de uitspraak van 19 juli 2006.
2.4. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Schortinghuis
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006
66.
Verzonden: 14 DEC. 2006
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak