ECLI:NL:RVS:2007:AZ6876

Raad van State

Datum uitspraak
24 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200606520/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.J.J. van Buuren
  • C.W. Mouton
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 planvoorschriften bestemmingsplan Buitengebied 1994
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bouwvergunning voor bedrijfswoning en bedrijfsgebouw in agrarisch gebied te Rumpt

Het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen wees op 1 september 2004 een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning voor het vernieuwen van een bedrijfswoning en bedrijfspand op een perceel in Rumpt af. Het bezwaar van de aanvrager werd door het college ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van de aanvrager gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan het college om binnen twee maanden een nieuw besluit te nemen.

Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 10 januari 2007. Het geschil betrof de uitleg van het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" en de vraag of de bedrijfswoning noodzakelijk was voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, in casu een wijnbouwbedrijf. Het college voerde aan dat het bedrijf voldoende inkomen moest genereren, maar dit werd door de Raad van State verworpen.

De Raad oordeelde dat het bestemmingsplan geen eis stelt dat het agrarisch bedrijf een inkomen moet genereren van ten minste het minimumloon. Het volstaat dat er een reëel belang is voor de bedrijfswoning in relatie tot het bedrijf. Gezien de aard en omvang van het wijnbouwbedrijf was dit belang aanwezig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 644,00 aan de wederpartij, toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand. De uitspraak werd op 24 januari 2007 in het openbaar uitgesproken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200606520/1.
Datum uitspraak: 24 januari 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen,
appellant,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/5108 en 06/816 van de rechtbank Arnhem van 25 juli 2006 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te Rumpt
en
appellant.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2004 heeft appellant (hierna: het college) afwijzend beslist op een aanvraag van [wederpartij] om een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het geheel vernieuwen van een bedrijfswoning en bedrijfspand op het perceel [locatie] te Rumpt.
Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college binnen twee maanden een nieuw besluit neemt op het bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 31 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brieven van 4 en 30 oktober 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn stukken ontvangen van het college en van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door J. Strang, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het bouwplan voorziet in een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning ten behoeve van een op het perceel te vestigen wijnbouwbedrijf.
2.2.    Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" bestemd voor "Agrarisch gebied met beperkte bebouwing", met nadere aanduiding "bouwperceel klasse A".
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is de op de kaart voor "Agrarisch gebied met beperkte bebouwing"  aangewezen grond bestemd voor één of meer vormen van agrarisch grondgebruik.
Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, mogen ten dienste van de in het eerste lid van dat artikel genoemde vormen van grondgebruik, daarvoor noodzakelijke bouwwerken en andere werken worden gerealiseerd dan wel aanwezig zijn met dien verstande dat het voor zover het gebouwen betreft:
c. op een agrarisch bouwperceel klasse A, voor zover daarop nog geen agrarische bedrijfswoning aanwezig is of nog geen agrarische bedrijfswoningen aanwezig zijn, ten hoogste één agrarische bedrijfswoning met bijbehorende garage mag worden gebouwd, mits - in directe ruimtelijke relatie met de agrarische bedrijfswoning - een agrarische bedrijfsgebouw aanwezig is of gelijktijdig zal worden gebouwd en deze gebouwen kennelijk noodzakelijk zijn om ter plaatse één of meer personen beroepsmatig de uitoefening van een agrarisch bedrijf mogelijk te maken.
Ingevolge artikel 1, onder v, van de planvoorschriften, wordt onder agrarische bedrijfswoning verstaan: een woning op een agrarisch bedrijf, ten dienste van een persoon - een zelfstandig huishouden vormend, dan wel in gezinsverband wonend - welke beroepsmatig op het agrarische bedrijf moet wonen.
Ingevolge artikel 1, onder w, van de planvoorschriften, wordt onder agrarisch bedrijfsgebouw verstaan: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat - blijkens zijn aard en indeling - voor het agrarische bedrijf bruikbare ruimte bevat (al dan niet met een daarbij behorende woning).
2.3.     Het college betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften niet de eis ligt besloten dat de daarin genoemde gebouwen slechts mogen worden opgericht indien sprake is van een agrarisch bedrijf dat een zodanig inkomen genereert dat ten minste één persoon hiermee in zijn levensonderhoud kan voorzien. Dit planvoorschrift stelt geen verdergaande eis dan dat sprake moet zijn van een daadwerkelijk bedrijfsmatig karakter van de agrarische activiteiten. Aan die eis wordt voldaan reeds omdat niet in geschil is dat aan de door [wederpartij] op het perceel beoogde wijnbouwactiviteiten een bedrijfsmatig karakter niet kan worden ontzegd, zoals ter zitting van de zijde van het college uitdrukkelijk is bevestigd. Het betoog van het college dat het bouwplan voorziet in nieuwvestiging van een bedrijf en niet in voorzetting van een bestaand bedrijf mist relevantie omdat de van toepassing zijnde planvoorschriften tussen beide situaties geen onderscheid maken.
Voor zover het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bedrijfswoning niet noodzakelijk is om ter plaatse één of meer personen beroepsmatig de uitoefening van een agrarisch bedrijf mogelijk te maken, faalt dat betoog evenzeer. De in het planvoorschrift gestelde eis dat het oprichten van onder meer een bedrijfswoning kennelijk noodzakelijk is om ter plaatse één of meer personen beroepsmatig de uitoefening van een agrarisch bedrijf mogelijk te maken, houdt niet in dat uit die bedrijfsvoering voor één of meer personen een inkomen moet kunnen worden verkregen van tenminste de omvang van het minimumloon. Nu het bouwplan voorziet in een eerste bedrijfswoning is voldoende dat [wederpartij] een reëel belang heeft om bij het wijnbouwbedrijf te wonen. De Afdeling verwijst dit verband naar haar uitspraak van 25 augustus 2004, inzake no.
200307117/1. Gelet op de aard en omvang van het bedrijf heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat zodanig belang aanwezig is.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Geldermalsen aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Buuren w.g. Willems
Voorzitter     ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007
412