ECLI:NL:RVS:2007:AZ7402

Raad van State

Datum uitspraak
22 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200605484/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning intern verbouwen pand

Het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul verleende op 28 mei 2002 een bouwvergunning voor het intern verbouwen van agrarische schuren en stallen tot burgerbewoning op een perceel. Verzoeker, die een agrarisch bedrijf naast het perceel exploiteert, maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep van verzoeker eveneens ongegrond.

Verzoeker stelde dat de bouwactiviteiten zijn bedrijfsuitoefening zouden belemmeren en vroeg de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee de vergunning zou worden geschorst totdat de Afdeling in de bodemzaak heeft beslist.

De Voorzitter oordeelde dat de vergunning in beginsel uitvoerbaar blijft, zeker nu de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard. Verzoeker had niet aannemelijk gemaakt dat hij door de bouwwerkzaamheden in zijn bedrijfsuitoefening wordt beperkt of dat onomkeerbare gevolgen zouden ontstaan. Bovendien zal de hoofdzaak op korte termijn worden behandeld, waardoor geen spoedeisend belang bestond voor de voorlopige voorziening.

Daarom werd het verzoek afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

200605484/2.
Datum uitspraak: 22 januari 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/1319 en 06/758 van de rechtbank Maastricht van 28 juni 2006 in het geding tussen:
verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van het pand […] op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 2 februari 2006 heeft het college het door verzoeker daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 juni 2006, verzonden op 30 juni 2006, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 26 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2006.
Voorts heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 januari 2007, waar verzoeker, bijgestaan door mr. N.S. Commijs, advocaat te Zwolle, en [vergunninghouder], bijgestaan door mr. P.J.T. Austen, advocaat te Valkenburg aan de Geul, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het bouwplan voorziet in het intern verbouwen van agrarische schuren en stallen ten behoeve van burgerbewoning op het perceel. Het verzoek strekt tot schorsing van de in bezwaar gehandhaafde vergunning totdat de Afdeling in het bodemgeschil zelf heeft beslist.
2.2.    Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt te meer indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het tegen het besluit ingestelde beroep ongegrond heeft bevonden.
2.3.    [vergunninghouder] is met een deel van de bouwwerkzaamheden, bestaande uit het herstellen van de constructieve veiligheid, het herbouwen van eerder aanwezige vloeren en de verbetering van de isolatiewaarde, aangevangen. Verzoeker, die naast het perceel een onderneming drijft, waarin akkerbouw plaatsvindt, heeft niet gesteld dat hij thans door de bouwwerkzaamheden in zijn bedrijfsuitoefening wordt beperkt of anderszins daarvan nadelige gevolgen ondervindt. Desgevraagd heeft hij ter zitting te kennen gegeven dat hij geen concrete plannen heeft om zijn activiteiten op korte termijn uit te breiden. Voorts leidt de verdere uitvoering van het bouwplan, anders dan verzoeker stelt, niet tot onomkeerbare gevolgen, omdat indien in rechte komt vast te staan dat ten onrechte bouwvergunning is verleend, de krachtens die vergunning verrichte bouwwerkzaamheden in beginsel ongedaan gemaakt moeten worden.
2.4.    Nu verder de hoofdzaak op afzienbare termijn door de Afdeling zal worden behandeld, is van een spoedeisend belang dat tot het treffen van de gevraagde voorziening noopt onder de omstandigheden geen sprake.
2.5.    Het verzoek dient te worden afgewezen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb               w.g. Van Driel
Voorzitter             ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2007
414