Uitspraak
200409361/1heeft de Afdeling het daartegen door het stadsdeel ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 11 oktober 2004 vernietigd voor zover die uitspraak betrekking heeft op de hoofdzaak, het door de stichting bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het ongedateerde, op 2 juni 2004 verzonden besluit van de Minister vernietigd voor zover het de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen het besluit van 31 maart 2003 betreft.
200407562/1, is voor voorgenomen werkzaamheden in het plangebied een ontheffing ingevolge de Ffw vereist zodra een beschermde inheemse diersoort voorkomt in het plangebied en opzettelijk verontrust kan worden als gevolg van de uitvoering van het plan. Hierbij is het aantal exemplaren van de beschermde inheemse diersoort in het plangebied niet van belang. De Afdeling stelt vast dat de Minister in de beslissing op bezwaar het standpunt heeft ingenomen dat van verontrusting als bedoeld in artikel 10 van Pro de Ffw geen sprake is aangezien het plangebied voor hen van verwaarloosbare betekenis is. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat het besluit dat een ontheffing van het in artikel 10 neergelegde Pro verbod voor de voorgenomen aanleg van het tankstation niet is vereist, wederom niet deugdelijk is gemotiveerd, nu de rugstreeppad in het plangebied voorkomt en aannemelijk is dat de voorgenomen bouwwerkzaamheden verstorend zullen zijn voor de ter plaatse aanwezige rugstreeppadden. Dat de rugstreeppadden niet meer in het plangebied zullen voorkomen indien de daar aanwezige rommel wordt opgeruimd en het terrein meer is verruigd, maakt het vorenstaande, wat daar ook van zij, niet anders, nu het uitgangspunt is dat de rugstreeppadden ten tijde van de op 26 januari 2006 verzonden beslissing in het plangebied aanwezig waren. De rechtbank is dan ook terecht tot de slotsom gekomen dat die beslissing in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd.