ECLI:NL:RVS:2007:AZ7937
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inbewaringstelling en schending rechtszekerheidsbeginsel in vreemdelingenzaak
Appellant werd op 10 maart 2005 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tijdens de voortzetting van deze vrijheidsontneming ontving appellant op 8 april 2005 een voornemen tot afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning, waarbij hem slechts twee weken werd gegund om zijn zienswijze schriftelijk in te dienen. De zienswijze werd op 22 april 2005 per aangetekende post verzonden en op 25 april ontvangen, waardoor deze volgens de minister te laat was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de termijn van twee weken terecht was toegepast. Echter, de Raad van State oordeelde dat de inbewaringstelling vanaf het begin onrechtmatig was, zoals vastgesteld in een eerdere uitspraak van 13 mei 2005. Hierdoor was de toepassing van de verkorte termijn van twee weken onjuist en had de normale termijn van vier weken moeten gelden.
De Raad van State verwierp het verweer dat het rechtszekerheidsbeginsel aan dit oordeel in de weg stond. Dit beginsel dient niet om de gevolgen van een ministeriële fout voor rekening van de vreemdeling te laten komen. Er waren geen belangen die dit rechtvaardig zouden maken. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onrechtmatige inbewaringstelling en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.