Uitspraak
200402405/1, voert appellant aan - kort weergegeven - dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de bij het besluit van 4 september 2003 verleende revisievergunning als (gedeeltelijk) vervallen diende te worden beschouwd. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was immers al duidelijk dat deze vergunning vóór het onherroepelijk worden en de inwerkingtreding van de bij het bestreden besluit verleende vergunning op grond van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer van rechtswege gedeeltelijk zou vervallen omdat de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning van 4 september 2003 onherroepelijk is geworden geheel zou worden voltooid en in werking gebracht. Verder voert hij aan dat verweerder ook bij het nemen van het besluit van 4 september 2003 al is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten inzake rechten die konden worden ontleend aan de vergunning van 10 november 1998. Ook destijds was de vergunde inrichting volgens hem niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van die vergunning voltooid en in werking gebracht, zodat bij het bestreden besluit bezwaarlijk wederom het bestaan van destijds vergunde rechten kan worden aangenomen.