200603039/1.
Datum uitspraak: 14 februari 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/4284 van de rechtbank Haarlem van 16 maart 2006 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
Bij besluit van 2 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) geweigerd aan appellanten bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor het verbouwen/uitbreiden van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college het daartegen door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 maart 2006, verzonden op 17 maart 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 20 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 23 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 15 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2007, waar appellanten, in persoon, bijgestaan door mr. J.R. Zeelenberg, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Dijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.1. De bestaande woning heeft een getrapte vorm. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de opbouw op de tweede verdieping. Door deze uitbreiding wordt de voorgevel recht getrokken. Het platte dakvlak van de uitbreiding ligt dan op dezelfde hoogte als dat van de opbouw.
2.2. Ingevolge de voor deze woning geldende aanduiding op de plankaart van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hoofddorp Floriande Noord" (hierna: het bestemmingsplan) bedraagt de maximale goothoogte op het perceel zes meter en de maximale nokhoogte negen meter.
2.3. Ingevolge artikel 2 van de planvoorschriften, wordt de goothoogte van een bouwwerk gemeten van de horizontale snijlijn van elk dakvlak met elk daaronder gelegen buitenwerks verticaal gevelvlak tot aan het peil.
Ingevolge artikel 2 van de planvoorschriften, voor zover van belang, wordt de goothoogte van een bouwwerk in bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij gedeeltelijke platte afdekking van de woning) gemeten vanaf het boeiboord - wat de scheidslijn vormt tussen gevel en dakvlak of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel - tot aan het peil.
2.4. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het ingevolge de planvoorschriften niet is toegestaan de goothoogte te verhogen tot 8,6 meter. Appellanten voeren daartoe aan dat in dit geval sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 2 van de planvoorschriften waardoor de goothoogte gelijk moet worden gesteld aan de nokhoogte welke maximaal 9 meter mag bedragen. Appellanten verwijzen in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2003 in zaak no.
200206544/1.
2.4.1. Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld bedraagt de goothoogte van het bouwplan gemeten van de horizontale snijlijn van het dakvlak met het daaronder gelegen buitenwerks verticaal gevelvlak tot aan het peil meer dan 6 meter. Anders dan appellanten betogen is, nu de goothoogte van de nieuwbouw gemeten kan worden volgens het algemene meetvoorschrift in artikel 2, het bijzondere meetvoorschrift niet van toepassing. Bovendien leidt de uitleg door appellanten van de meetvoorschriften tot een gelijkstelling van de goothoogte met de nokhoogte, hetgeen zich niet verdraagt met de aanduidingen op de plankaart. Het betoog van appellanten dat het oordeel van de rechtbank ertoe leidt dat voor de bestaande woning een bouwvergunning is verleend in strijd met de toegestane maximale goothoogte kan niet worden gevolgd, reeds omdat, naar ter zitting is komen vast te staan, die bouwvergunning met vrijstelling is verleend.
Het beroep van appellanten op de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2003 in zaak nr.
200206544/1kan hen niet baten omdat er in die zaak sprake was van andere planvoorschriften.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Boermans
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007