ECLI:NL:RVS:2007:AZ8707
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- R. van der Spoel
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens afzien van horen
Appellante had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, welke door de minister op 26 januari 2006 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep stelde appellante dat de minister ten onrechte had afgezien van het horen van haar, terwijl in het voornemen van 15 augustus 2005 expliciet was vermeld dat zij in de gelegenheid zou worden gesteld zich te doen horen indien het voornemen tot afwijzing bleef bestaan. De verwijzing naar artikel 41, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in het voornemen was onjuist, maar appellante hoefde hieruit niet af te leiden dat het horen niet zou plaatsvinden.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank deze omstandigheid niet had onderkend en dat de minister onder de gegeven omstandigheden niet mocht afzien van het horen van appellante. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van de minister tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd vanwege onterecht afzien van het horen van appellante.