ECLI:NL:RVS:2007:AZ8712
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning op grond van verantwoordelijkheidsverdeling asielverzoek en medische omstandigheden
Appellant verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Appellant voerde aan dat zijn medische situatie, waaronder meningitis tuberculosa en hallucinaties, een overdracht aan Oostenrijk in de weg zou staan en dat Nederland het meest aangewezen land zou zijn voor zijn behandeling.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om af te wijken van de verantwoordelijke lidstaat, en dat medische omstandigheden moeten aantonen dat Nederland het meest aangewezen land is voor behandeling of dat adequate behandeling in het verantwoordelijke land niet mogelijk is.
De medische informatie toonde aan dat appellant onder specialistische behandeling staat en afhankelijk is van anderen, maar geen fysieke beperkingen voor transport heeft. De Afdeling vond dat de minister met de vereiste zorgvuldigheid tot het standpunt kon komen dat Nederland niet het meest aangewezen land is en dat ook in Oostenrijk adequate behandeling mogelijk is.
De grief van appellant faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deed het eindvonnis op 5 februari 2007.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.