ECLI:NL:RVS:2007:AZ8898
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid mvv-beleid bij medische situatie vreemdeling uit Macedonië
De minister wees een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier af omdat de vreemdeling niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De vreemdeling, afkomstig uit Macedonië en behorend tot de Roma-bevolkingsgroep, voerde aan dat medische behandeling in haar land van herkomst niet adequaat toegankelijk was, mede vanwege haar psychische klachten.
De rechtbank oordeelde dat de feitelijke toegankelijkheid van medische zorg in Macedonië bij de beoordeling betrokken moest worden en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank ten onrechte de feitelijke toegankelijkheid van medische zorg in het herkomstland bij haar oordeel had betrokken, in strijd met de Vreemdelingencirculaire 2000. Het mvv-beleid is gericht op het voorkomen dat vreemdelingen door hun aanwezigheid in Nederland de autoriteiten voor een voldongen feit stellen. Aangezien medische behandeling in Macedonië beschikbaar is en de vreemdeling in staat wordt geacht te reizen onder voorwaarden uit het BMA-advies, is er geen reden het beleid te wijzigen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens werd overwogen dat een beroep op artikel 3 EVRM Pro niet op deze wijze kan worden ingediend.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.