ECLI:NL:RVS:2007:AZ8902
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling positieve verplichting minister bij gezinsleven vreemdeling volgens artikel 8 EVRM
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de minister van Buitenlandse Zaken tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf gegrond had verklaard. De minister had het verzoek van de vreemdeling geweigerd omdat hij oordeelde dat geen positieve verplichting bestond om verblijf toe te staan op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat het beleid van de minister waarbij zwaar gewicht wordt toegekend aan het feit dat de vreemdeling bij het aanvangen van het gezinsleven het risico heeft aanvaard dat het gezinsleven niet in Nederland kan worden uitgeoefend, niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Dit beleid wordt ondersteund door jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder de zaken Rodrigues da Silva en Hoogkamer, Useinov en Priya.
Verder benadrukt de Afdeling dat het bestaan van een objectieve belemmering voor gezinsleven buiten Nederland niet zonder meer een positieve verplichting tot verblijf oplevert, maar een van de factoren is in de belangenafweging. De vreemdeling wordt geacht gedurende drie jaar inspanningen te verrichten om in eigen levensonderhoud te voorzien. De rechtbank heeft het beleid van de minister miskend door te oordelen dat het op termijn voldoen aan voorwaarden juist in het voordeel van de vreemdeling weegt.
De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. De minister heeft alle relevante belangen betrokken en mocht het algemeen belang laten prevaleren boven dat van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.