Uitspraak
200409360/1, moet een aanvraag om een energiepremie ingevolge artikel II, eerste lid, aanhef en onder b, van de Intrekkingsregeling, in samenhang met artikel 1, aanhef en onder j, onder 1, en artikel 8, eerste lid, van de Tre 2003 - voor zover hier van belang - bij het energiebedrijf worden ingediend nadat de voorzieningen in of aan een woning zijn aangebracht en in werking gesteld. Dat daarvan in het onderhavige geval ten tijde van de indiening van de aanvraag sprake was, heeft verweerder, gelet op het feit dat - zoals door appellant is erkend - aan de woning nog afrondende werkzaamheden dienden te worden verricht en deze eerst sinds mei 2004 is bewoond, terecht niet aannemelijk gemaakt geacht. Verweerder heeft zich derhalve reeds hierom terecht op het standpunt gesteld dat geen energiepremie kon worden toegekend. Daar komt nog bij dat ook in de rapportage naar aanleiding van de controle van de zijde van het energiebedrijf van 10 februari 2004 nog wordt gesproken van een in aanbouw zijnde woning. Met foto's die dateren van na die datum heeft appellant niet aannemelijk kunnen maken dat die constatering onjuist zou zijn. Laat staan dat daarmee aannemelijk zou zijn genaakt dat reeds ten tijde van de aanvraag, dat wil zeggen omstreeks eind 2003, sprake zou zijn geweest van ten behoeve van de woning in werking zijnde voorzieningen. Dat appellant de rapportage van de controle van 10 februari 2004 eerst na de indiening van het beroep heeft ontvangen, zodat hij hierop niet eerder heeft kunnen reageren, doet aan het vorenstaande niet af, omdat in het bestreden besluit de inhoud van deze rapportage reeds was vermeld. Het betoog van appellant dat - anders dan verweerder heeft vastgesteld - geen sprake is van gebruik van de zonnepanelen ten behoeve van het bedrijfsgebouw dat zich met de woning op hetzelfde terrein bevindt, behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.