ECLI:NL:RVS:2007:AZ9705
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring en afwijzing schadevergoeding asielzoeker uit Irak
Appellant, een asielzoeker uit Centraal- en Zuid-Irak, werd op 29 juni 2006 ongewenst verklaard vanwege een onherroepelijke veroordeling tot acht maanden gevangenisstraf voor een misdrijf gepleegd op 1 januari 2005. Hij stelde bezwaar tegen deze verklaring, dat nog niet was beslist, en stelde beroep in tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding.
De zaak betreft de uitleg en toepassing van het beleid op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij categoriale bescherming wordt geboden aan asielzoekers uit Centraal- en Zuid-Irak, maar met uitzondering van degenen met strafrechtelijke antecedenten of ongewenstverklaringen. De motie-De Wit van 20 december 2006 vroeg om categoriale bescherming, maar niet om het opheffen van contra-indicaties zoals strafrechtelijke antecedenten.
De Raad van State oordeelt dat appellant niet tot de doelgroep van de motie behoort en dat er reëel zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de ongewenstverklaring geldt en dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de ongewenstverklaring en wijst het verzoek om schadevergoeding af.