ECLI:NL:RVS:2007:AZ9710
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling grenzen geschil en toepassing mvv-vereiste in vreemdelingenrecht
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gegrond had verklaard. De kern van het geschil draait om de toepassing van het mvv-vereiste, dat inhoudt dat een vreemdeling over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf moet beschikken.
De rechtbank had geoordeeld dat de minister ten onrechte het algemeen belang boven het individuele belang van de vreemdeling had laten prevaleren en daarbij de inherente afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4:84 Awb Pro had toegepast. De Raad van State stelt echter dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door deze bevoegdheid toe te passen, terwijl de vreemdeling niet had aangevoerd dat bijzondere omstandigheden een afwijking rechtvaardigen.
De Raad van State vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens oordeelt de Afdeling dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt en dat het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind niet ontvankelijk is wegens strijd met de goede procesorde. De Afdeling bevestigt hiermee de juiste toepassing van het mvv-vereiste en het beleid van de minister.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.