ECLI:NL:RVS:2007:BA0592
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdeling geen individuele bescherming van Ivoriaanse autoriteiten aannemelijk heeft gemaakt
De minister heeft op 15 februari 2006 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel afgewezen. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat het voor hem gevaarlijk of zinloos was om bescherming van de autoriteiten van zijn land van herkomst, Ivoorkust, te zoeken. De vreemdeling stelde dat slavernij op grote schaal voorkomt en dat de autoriteiten de Senoufo bevolkingsgroep discrimineren, maar onderbouwde dit niet voldoende.
Het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken toonde geen aanwijzingen dat slavernij met goedvinden van de Ivoriaanse autoriteiten plaatsvindt. Het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid voor Ivoorkust doet niet af aan de noodzaak van een individuele beoordeling. Omdat de vreemdeling geen poging heeft gedaan om bescherming te zoeken, kon de minister redelijkerwijs tegenwerpen dat hij dit niet had gedaan.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.