ECLI:NL:RVS:2007:BA0603
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring gezinslid burger van de Unie ondanks richtlijnuitzondering
Appellant, gezinslid van een burger van de Unie met tevens een derde-landse nationaliteit, werd op grond van een onherroepelijk strafvonnis ongewenst verklaard en zijn verblijfsvergunning ingetrokken. Hij stelde dat de Richtlijn 2003/86/EG inzake gezinshereniging niet op hem van toepassing was, waardoor hij in een ongunstiger positie zou verkeren dan gezinsleden van onderdanen van derde landen, hetgeen volgens hem in strijd was met het gelijkheidsbeginsel van de Grondwet en het discriminatieverbod van het EVRM.
De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de Richtlijn inderdaad niet van toepassing is op gezinsleden van burgers van de Unie, maar dat dit geen ongunstige positie oplevert. Artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 maakt geen onderscheid tussen gezinsleden van burgers van de Unie en die van derde landen bij het opleggen van een ongewenstverklaring. De klacht van appellant werd daarom verworpen.
Het hoger beroep werd als kennelijk ongegrond bestempeld en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak onderstreept dat de bescherming van de Richtlijn niet strekt tot het voorkomen van ongewenstverklaringen voor gezinsleden van burgers van de Unie.
Uitkomst: De ongewenstverklaring van appellant wordt bevestigd omdat de richtlijn geen bescherming biedt tegen ongewenstverklaring van gezinsleden van burgers van de Unie.