ECLI:NL:RVS:2007:BA1220

Raad van State

Datum uitspraak
14 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200700965/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Wetboek van StrafvorderingArt. 8:54, eerste lid, Algemene wet bestuursrechtVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid vreemdelingenrechter bij vrijheidsbeneming op strafrechtelijke titel

Appellant was tussen 4 en 5 januari 2007 vrijheidsbenomen op basis van artikel 61, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hij stelde dat deze vrijheidsbeneming onrechtmatig was omdat er geen strafrechtelijke noch vreemdelingenrechtelijke titel zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de procedure en uitvoering van de maatregel wettelijk waren. De Raad van State stelde vast dat de vrijheidsbeneming berustte op een strafrechtelijke titel en dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is om over deze titel te oordelen.

De Raad van State benadrukte dat alleen wanneer de strafrechter de onrechtmatigheid van de vrijheidsbeneming vaststelt, de vreemdelingenrechter de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring kan beoordelen. In dit geval was geen sprake van een dergelijke situatie. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200700965/1.
Datum uitspraak: 14 maart 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/1183 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 25 januari 2007 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2007 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 januari 2007, verzonden op 29 januari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 9 februari 2007 heeft de Minister voor Justitie (hierna: de minister) een reactie ingediend.
Desgevraagd heeft de minister bij brief 23 februari 2007 nadere informatie verstrekt. Die brief is aan de andere partij toegezonden, die daarop heeft gereageerd bij faxbericht, binnengekomen bij de Raad van State op 28 februari 2007.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de enige grief klaagt appellant, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door te overwegen dat de procedure leidend tot en de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel in overeenstemming zijn met de wet, heeft miskend dat een strafrechtelijke noch vreemdelingrechtelijke titel aanwezig was voor de vrijheidsbeneming van appellant tussen 22.00 uur op 4 januari 2007, zijnde het tijdstip van voorgeleiding bij de hulpofficier van justitie, en 12.15 uur op 5 januari 2007, zijnde het tijdstip van inbewaringstelling.
2.2. De grief faalt. Gelet op de beschikbare processen-verbaal van 4 en 10 januari 2007 en de brief van de minister van 23 februari 2007, waarin hij heeft toegelicht dat de vrijheidsbeneming van appellant in de hiervoor genoemde periode berust op artikel 61, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en nu appellant het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, moet worden vastgesteld dat die vrijheidsbeneming op een strafrechtelijke titel was gebaseerd. De rechter in vreemdelingenzaken kan niet oordelen over de aanwending van deze niet bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheid. Slechts indien de onrechtmatigheid van die aanwending door de strafrechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de consequenties daarvan voor de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring.
Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en
mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens
Voorzitter w.g. Van Roosmalen
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007
53-524.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak