ECLI:NL:RVS:2007:BA1659
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking urgentieverklaring woningtoewijzing ondanks wijkvoorkeur
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft op 6 april 2004 het recht op bemiddeling vervallen verklaard en de urgentieverklaring van appellante ingetrokken vanwege weigering van een passende woning in een ander stadsdeel dan haar voorkeurswijk.
Appellante stelde dat het college onterecht de Huisvestingsverordening 2003 toepaste in plaats van de eerdere verordening en dat onvoldoende rekening werd gehouden met haar wijkvoorkeur en het belang van haar zoontje. De rechtbank oordeelde eerder dat het college terecht het besluit handhaafde.
De Raad van State overweegt dat het college bevoegd was de nieuwe verordening toe te passen en dat het belang van het goed functioneren van het urgentiesysteem zwaarder weegt dan de wijkvoorkeur van appellante. Het beroep op het Verdrag inzake de Rechten van het Kind faalt omdat het belang van het kind in de afweging is betrokken.
Daarom verklaart de Raad van State het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de urgentieverklaring bevestigd.