Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2007:BA1676

Raad van State

Datum uitspraak
28 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200608187/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Vlasblom
  • W. Konijnenbelt
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1.1 APV MoerdijkArt. 3.2.1 APV Moerdijk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom wegens illegale exploitatie seksinrichting in woning

Appellante exploiteerde zonder vergunning een seksinrichting in een gedeelte van haar woning te Moerdijk. De burgemeester legde haar daarom op 30 mei 2006 een last onder dwangsom op om de exploitatie te beëindigen. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, maar zowel de burgemeester als de voorzieningenrechter verklaarden haar bezwaren ongegrond.

In hoger beroep bij de Raad van State voerde appellante onder meer aan dat de exploitatie niet bedrijfsmatig was en dat vergelijkbare bepalingen in andere gemeenten onverbindend waren verklaard. De Raad oordeelde echter dat appellante door haar actieve klantenwerving, inschrijving bij de Kamer van Koophandel en fiscale aangifte wel degelijk een bedrijfsmatige exploitatie voerde. De overtreding van artikel 3.2.1 van de APV was daarmee vastgesteld.

De Raad overwoog dat handhaving in beginsel verplicht is bij overtreding van een wettelijk voorschrift, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Appellante stelde dat zij geen overlast veroorzaakte en dat beëindiging tot financiële problemen zou leiden, maar deze omstandigheden waren onvoldoende om af te zien van handhaving. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezegging was gedaan dat niet zou worden opgetreden.

De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit van de burgemeester en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

200608187/1.
Datum uitspraak: 28 maart 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Moerdijk,
tegen de uitspraak in zaak nos. 06/4652 en 06/4653 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 30 oktober 2006 in het geding tussen:
appellante
en
de burgemeester van Moerdijk.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de burgemeester van Moerdijk (hierna: de burgemeester) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de exploitatie van een seksinrichting in een gedeelte van haar woning op het perceel [locatie] in [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 5 september 2006 heeft de burgemeester het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 oktober 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de burgemeester. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2007, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. N.P.C.C. Langenberg, advocaat te Breda, en [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door ir. A.M.W. Dirken, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.1.    Ingevolge artikel 3.2.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Moerdijk (hierna: de APV), voor zover hier van belang, is het verboden een seksinrichting te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
Ingevolge artikel 3.1.1, aanhef en onder c, wordt onder een seksinrichting verstaan de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
2.2.    De burgemeester heeft aan appellante voormelde last onder dwangsom opgelegd, omdat zij zonder vergunning een seksinrichting in haar woning exploiteert en daarmee artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV overtreedt.
2.3.    Appellante heeft ter zitting gewezen op een uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 maart 2006, waarin artikel 3.2.2 van de APV van de gemeente Uden onverbindend werd geacht. Ingevolge die bepaling mogen de exploitant en de beheerder van een seksinrichting niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.
Voor zover appellante hiermee heeft bedoeld te betogen dat artikel 3.2.1 van de APV van Moerdijk eveneens verbindende kracht mist, kan dit betoog niet slagen, reeds omdat artikel 3.2.1 van de APV deze gedragseis niet bevat. Het stellen van een dergelijke eis is thans ook niet in geding.
2.4.    Appellante komt tevergeefs op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij ten tijde van de besluiten van 30 mei 2006 en 5 september 2006 een seksinrichting in de zin van artikel 3.1.1, aanhef en onder c, van de APV exploiteerde. Dat zij thuis werkte en dat in haar woning geen andere prostituees werkzaam waren, betekent niet dat reeds daarom geen sprake kan zijn van een bedrijfsmatige exploitatie, dan wel van een exploitatie in een omvang alsof ze bedrijfsmatig was. Appellante voorzag in haar eigen levensonderhoud door in haar woning als prostituee te werken. Zij wierf daarvoor actief klanten door het plaatsen van advertenties en haar inkomsten uit die activiteiten worden via een boekhouder bij de fiscus verantwoord. Bovendien is zij mede ten behoeve van haar prostitutieactiviteiten ingeschreven in het handelsregister berustend bij de Kamer van Koophandel. Deze omstandigheden mede in aanmerking genomen, bestaat voldoende grond voor het oordeel dat appellante in haar woning een seksinrichting exploiteerde als bedoeld in de APV. Dat in sommige gemeenten geen vergunningplicht geldt voor thuiswerkende prostituees, maakt dit niet anders.
2.5.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV, zodat de burgemeester ter zake handhavend kon optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.5.1.    De voorzieningenrechter heeft overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aan handhavend optreden in de weg staan. Het betoog van appellante dat tegen deze overweging is gericht, slaagt niet.  Appellante heeft gesteld dat zij dit werk al jaren doet, dat zij geen overlast veroorzaakt en dat zij in een behoefte voorziet. Zij heeft voorts gesteld dat zij bij beëindiging van haar werkzaamheden een uitkering zal moeten aanvragen en dat haar bestaande schuldenlast zal toenemen. Dit zijn echter geen omstandigheden die voor de burgemeester aanleiding hadden moeten zijn om van handhavend optreden af te zien. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. De brief waarop zij in dit verband heeft gewezen, heeft betrekking op het verwerven van inkomen als aanvulling op haar bijstandsuitkering. In die brief is niet toegezegd dat niet zou worden opgetreden tegen het zonder vergunning exploiteren van een seksinrichting in haar woning.
2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom        w.g. Visser
Voorzitter         ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007
148