ECLI:NL:RVS:2007:BA1810
Raad van State
- Hoger beroep
- D. Roemers
- J.W. Prins
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in hoger beroep asielzaak
Verzoeker had een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op 24 november 2006 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing stelde verzoeker beroep in bij de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, die op 12 december 2006 het beroep ongegrond verklaarde.
Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht op 19 februari 2007 om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij uitgezet zou worden zolang het hoger beroep loopt. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat niet op voorhand aannemelijk was dat de uitspraak van de voorzieningenrechter in stand zou blijven en dat er sprake was van een spoedeisend belang conform artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de Minister van Justitie veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €322,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de Minister van Justitie wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.