AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging bouwvergunning voor machineberging binnen agrarisch bouwblok ondanks bezwaar appellant
Het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen verleende op 10 mei 2005 een bouwvergunning voor het oprichten van een machineberging/loods binnen een agrarisch bouwblok. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning en stelde dat de vergroting van het bouwblok in 1998 onrechtmatig was verlopen, waardoor zijn bedrijfsbelangen zouden worden geschaad.
De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bij de Raad van State werd overwogen dat de bestemmingsplanwijziging uit 1998 onherroepelijk was geworden door een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank mocht daarom niet ingaan op de bezwaren tegen de wijziging. Ook was niet gebleken dat appellant door de vrijstelling van de hoogtemaat in zijn belangen werd geschaad of dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De bouwvergunning bleef daarmee rechtsgeldig en het bezwaar van appellant werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200604560/1.
Datum uitspraak: 4 april 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Drimmelen,
tegen de uitspraak in zaak no. 05/4003 van de rechtbank Breda van 15 mei 2006 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een machineberging/loods op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 13 september 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 31 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2007, waar appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.P.M. van Tiel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan is voorzien op gronden die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch gebied" hebben.
Ingevolge artikel 3.3.3. van de planvoorschriften is, voor zover thans van belang, uitsluitend binnen het agrarisch bouwblok het oprichten van agrarische bedrijfsbebouwing toegestaan.
Het bouwplan is geheel voorzien binnen een agrarisch bouwblok.
2.2. Appellant betoogt dat de bouwvergunning niet had mogen worden verleend. Hij stelt in dit verband dat het bouwblok waarop het bouwplan betrekking heeft, is vergroot bij een bestemmingsplanwijziging in 1998. Volgens hem heeft de rechtbank niet onderkend dat deze bestemmingsplanwijziging onrechtmatig is verlopen en dat de vergroting van het bouwblok eventuele bouwplannen van zijn bedrijf hindert.
2.2.1. Dit betoog slaagt niet. De wijziging van het bestemmingsplan waarop appellant doelt, is ten gevolge van de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2002 in zaak no. 199900624/1in rechte onaantastbaar geworden. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat zij niet meer kon ingaan op de bezwaren die appellant heeft tegen de wijziging van het bestemmingsplan en dat moet worden uitgegaan van het bouwblok zoals dat is opgenomen in het bestemmingsplan.
Appellant heeft niet aangevoerd dat hij door het verlenen van de vrijstelling met betrekking tot de afwijking van de hoogtemaat in zijn belangen is geschaad dan wel dat het bouwplan overigens in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid vrijstelling te verlenen van de maximaal toegestane bebouwingshoogte en gezien het dwingende karakter van artikel 44 vanPro de Woningwet vervolgens geen andere beslissing kon en mocht nemen dan de bouwvergunning te verlenen.
De algemene en specifieke klachten van appellant over de werkwijze van het college en van ambtenaren in de gemeente Drimmelen met betrekking tot onder meer het gevoerde ruimtelijke beleid kunnen niet in deze procedure aan de orde komen.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.