Uitspraak
200603802/1, is de Afdeling van oordeel dat, nu de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (thans: de Staatssecretaris van Justitie) de aangewezen instantie is om na te gaan of en in hoeverre appellant uit hoofde van het EG-Verdrag rechtmatig in Nederland verblijft, het op de weg van de minister had gelegen om aan de hand van de door appellant verstrekte en zonodig alsnog te verstrekken gegevens, inlichtingen in te winnen bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie over de mate waarin er rekening mee moet worden gehouden dat appellant ook op de peildatum rechtmatig verblijf ontleende aan het EG-verdrag, zodat hij uit dien hoofde rechtmatig verblijf hield als bedoeld in artikel 10, aanhef en onder a, ten tweede, van de Hsw, gelezen in samenhang met artikel 8, onder e, van de Vw 2000. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend. Het betoog slaagt derhalve in zoverre.