ECLI:NL:RVS:2007:BA2832
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat minister terecht contra-expertise niet heeft betrokken bij asielbesluit
De minister heeft op 17 augustus 2005 een asielaanvraag van de vreemdeling afgewezen. De vreemdeling had tijdens de besluitvormingsfase aangekondigd een contra-expertise te zullen aanvragen, maar gaf geen termijn aan waarbinnen deze zou worden overgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat het rapport van de contra-expertise ten onrechte niet was betrokken bij het besluit.
De Raad van State overweegt dat uit artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat een contra-expertise in beginsel tijdens de besluitvorming moet worden overgelegd, tenzij dit niet mogelijk is door omstandigheden die niet aan de vreemdeling zijn toe te rekenen. In deze zaak heeft de vreemdeling echter nagelaten aan te tonen dat hij daadwerkelijk een contra-expertise zou uitvoeren en de minister op de hoogte te houden van de stand van zaken.
De minister mocht daarom de gevolgen van het niet kunnen dragen van de kosten van de contra-expertise voor risico van de vreemdeling laten en op basis van de uitgevoerde taalanalyse beslissen. De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag.