ECLI:NL:RVS:2007:BA2833
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel na niet-bijwonen zitting
Appellante had bij besluit van 4 november 2005 een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie werd afgewezen. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het daarop ingestelde beroep van appellante op 7 december 2006 ongegrond. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
Appellante klaagde dat de rechtbank ten onrechte het onderzoek ter zitting van 20 oktober 2006 had gesloten zonder dat haar gemachtigde het woord had kunnen voeren. Zij stelde dat haar gemachtigde zich tijdig bij de balie had gemeld, zodat de rechtbank op de hoogte had moeten zijn van diens aanwezigheid.
De Raad van State stelde vast dat appellante bij eerdere brieven had medegedeeld noch zelf noch haar gemachtigde bij de zitting aanwezig te zullen zijn en verzocht om het beroep op de stukken af te doen. Dit verzoek was niet herroepen. Er was ook geen tijdige en kenbare mededeling gedaan dat de gemachtigde alsnog zou verschijnen. De vermeende misverstanden op de zittingsdag waren voor risico van appellante. De Raad van State oordeelde dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond.
De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd op 6 april 2007 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond wegens niet-naleving van het beginsel van hoor en wederhoor.