ECLI:NL:RVS:2007:BA2896
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning na afwijzend besluit voor ouder en niet-meegenomen kind
Appellante had een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend die was afgewezen. Zij stelde dat de belangen van haar minderjarige dochter, geboren na het afwijzend besluit, ook in deze procedure meegewogen moesten worden. De rechtbank had echter geoordeeld dat de verblijfspositie van het kind niet is bepaald door het besluit over de moeder en dat uitzettingsbelemmeringen voor het kind in deze procedure geen rol spelen.
De Raad van State bevestigt deze beoordeling en benadrukt dat de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel niet kan worden uitgebreid tot personen die na het besluit zijn geboren. Het formulier M35-K, dat de asielaanvraag van de ouder geldig verklaart voor in Nederland geboren kinderen, geldt alleen tijdens de lopende procedure en niet na een definitief besluit.
De Raad stelt dat alleen belangen die betrekking hebben op de moeder en de voorwaarden uit artikel 3.56 van het Vreemdelingenbesluit 2000 aan de orde kunnen zijn. De belangen van de dochter kunnen niet als zodanig worden aangemerkt in deze procedure. Daarom leidt de grief van appellante niet tot het beoogde resultaat en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd zonder dat de verblijfspositie van het kind wordt meegewogen.