200608062/1.
Datum uitspraak: 18 april 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Hulst,
het college van gedeputeerde staten van Zeeland,
verweerder.
Bij besluit van 16 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Hulst, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 januari 2006, het bestemmingsplan "Graauw en Paal" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 oktober 2006, kenmerk RMW0611182/157/14, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2006, beroep ingesteld.
Bij brief van 15 december 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2007, waar appellanten, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. P. Smits, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Hulst, vertegenwoordigd door ing. E. Gerritse-Dekker, ambtenaar van de gemeente.
2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
Standpunt van appellanten
2.2. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, nu daarbij niet door de gemeente Hulst de garantie wordt gegeven dat er niet wordt geheid bij de bouw van de woningen, niet alle eventuele zichtbare en onzichtbare schade die door de bouw aan de woning van appellanten kan ontstaan zal worden vergoed en bij de sloopwerkzaamheden niet de nodige maatregelen zullen worden getroffen om eventuele schade/overlast te voorkomen. Appellanten zijn niet tegen de bouw van de woonwijk als zodanig, maar vrezen schade aan hun woning.
2.3. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder is van mening dat inhoudelijke planologische bedenkingen ontbreken en wijst erop dat voor eventuele toekomstige schade als gevolg van bouw- en sloopactiviteiten de opdrachtgever civielrechtelijk kan worden aangesproken. Tevens wijst verweerder op de mogelijkheid een verzoek om schadevergoeding in te dienen op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst.
Vaststelling van de feiten
2.4. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.
2.4.1. Het plan omvat naast een actualisering van de voorheen geldende bestemmingsplannen de planologische inpassing van de nieuwbouwwijk Graauw-west. De uitbreiding is gekoppeld aan de herstructurering en sloop van verouderde woningen aan de Jacinta- en Irenestraat.
Het oordeel van de Afdeling
2.5. Appellanten stellen in beroep dat zij niet tegen de bouw van de in het plan voorziene nieuwe woonwijk als zodanig zijn, maar zij maken bezwaar indien bij de bouw wordt geheid. De Afdeling overweegt dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Dit bezwaar dient derhalve buiten beschouwing te blijven.
2.6. Mogelijke schade aan de woning van appellanten ten gevolge van sloop- en bouwwerkzaamheden in het plangebied betreft een kwestie van civielrechtelijke aard, die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Dit bezwaar dient derhalve eveneens buiten beschouwing te blijven.
2.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra w.g. Broekman
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007