ECLI:NL:RVS:2007:BA3198
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- W. van den Brink
- C.J.M. Schuyt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bouwvergunning woning met bedrijfsruimte in Smallingerland
Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland weigerde op 2 augustus 2005 een bouwvergunning voor een woning met inpandige bedrijfsruimte en een bijgebouw op een perceel in Smallingerland. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank Leeuwarden, die het beroep op 22 juni 2006 ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 5 maart 2007 en concludeerde dat het bouwplan alleen met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan kon worden toegestaan. Het college had in redelijkheid mogen weigeren omdat niet was voldaan aan de voorwaarde dat de uitvoering van het bouwplan zeker was gesteld. Appellant voerde aan dat hij te laat was geïnformeerd over de voorwaarde dat hij mogelijke planschade voor zijn rekening moest nemen, maar dit werd verworpen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 18 april 2007 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.