ECLI:NL:RVS:2007:BA3788
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar en ontvankelijkheid appellanten sub 2 bij bouwvergunning glastuinbouwbedrijf
Het college van burgemeester en wethouders van Someren verleende op 11 mei 2005 vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van een glastuinbouwbedrijf op een perceel te Someren. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit. Het college verklaarde het bezwaar van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk en dat van appellanten sub 1 en 3 ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk en het beroep van sub 1 en 3 ongegrond.
Appellanten stelden dat appellanten sub 2 wel ontvankelijk hadden moeten worden verklaard, omdat zij als huurder en gebruiker van het naburige perceel een rechtstreeks belang hadden. De Raad van State oordeelde dat dit standpunt juist is en vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring van appellanten sub 2. De Afdeling verklaarde appellanten sub 2 ontvankelijk in hun bezwaar en bevestigde dat het college geen nieuwe beslissing hoefde te nemen omdat de bezwaren gelijk zijn aan die van de overige appellanten.
Verder oordeelde de Raad dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van de vrijstellingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan voor de hoogte van de kassen en dat dit niet leidt tot een feitelijke bestemmingswijziging. Ook was het college in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstelling gekomen, mede omdat de nadelige gevolgen voor waterhuishouding en groenstructuur niet wezenlijk anders zijn dan zonder vrijstelling. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond verklaard.
Ten slotte werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellanten. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 april 2007.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van appellanten sub 2 wordt vernietigd en zij worden ontvankelijk verklaard in hun bezwaar; het overige van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.