Uitspraak
200503095/1, en 8 februari 2000 in zaak no. 199900281/1, AB 2000/219) rust in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat het strijdige gebruik op de peildatum plaatsvond en dat het nadien onafgebroken is voortgezet. Voor zover, zoals door appellant is gesteld, ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan "Administratieve Herziening Zuid" ter plaatse met dat plan strijdig gebruik plaatsvond, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat dit strijdige gebruik nadien (vrijwel) onafgebroken is voortgezet. De enkele stelling dat dit het geval is, is daartoe onvoldoende. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat het bedrijf van appellant eerst op 6 april 2006 officieel ter plaatse is gevestigd.