Uitspraak
200405212/1heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad legde appellant een dwangsom op om zijn bedrijfsvoering aan te passen aan het bestemmingsplan "Westerspoor Zuid". Na diverse besluiten, bezwaren en beroepen stelde de rechtbank vast dat de bedrijfsactiviteiten niet passen binnen het bestemmingsplan en dat het college terecht handhavend kon optreden.
Appellant voerde aan dat er sprake was van concreet uitzicht op legalisatie en dat het college ten onrechte handhavend optrad. De rechtbank en vervolgens de Raad van State oordeelden dat ten tijde van de besluiten op bezwaar geen concreet uitzicht op legalisatie bestond, omdat het enkele voornemen tot vrijstelling onvoldoende is. Ook het latere voorbereidingsbesluit speelde geen rol in deze procedure.
Verder werd geoordeeld dat het beroep van appellant op het planologisch kader en het vertrouwen in de verleende vrijstelling niet tot een bijzondere omstandigheid leidde die handhavend optreden zou moeten verhinderen. De stelling dat handhaving onevenredig is vanwege investeringen en afhankelijkheid van de bedrijfsactiviteiten werd niet nader gemotiveerd en verworpen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling op te leggen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit wordt bevestigd.