ECLI:NL:RVS:2007:BA4353

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200701508/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen geen-besluit minister vreemdelingenzaken

De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage inzake een bezwaarprocedure tegen een brief van de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, waarin werd meegedeeld dat niet inhoudelijk op een verzoek van een vreemdeling kon worden ingegaan wegens ontbrekende toestemming voor gegevensverstrekking.

De rechtbank had het bezwaar tegen dit niet-besluit ontvankelijk verklaard en het besluit vernietigd, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris stelde echter dat de brief waarop het bezwaar was gericht geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormde, omdat de brief van 17 juli 2003 geen aanvraag was en de indieners geen belanghebbenden waren.

De Raad van State oordeelde dat de brief van 17 juli 2003 niet was ingediend door een gemachtigde en dat noch de indiener noch Vluchtelingenwerk als belanghebbende kon worden aangemerkt. Daardoor was de brief geen aanvraag en de reactie van de minister geen besluit. Het bezwaar was daarom niet-ontvankelijk. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 april 2007.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat de brief van de minister geen besluit is en het bezwaar niet-ontvankelijk is.

Uitspraak

200701508/1.
Datum uitspraak: 20 april 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/31110 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 25 januari 2006 (lees: 2007) in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij brief van 6 november 2003 heeft Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aan [naam] naar aanleiding van diens brief van 17 juli 2003 meegedeeld dat niet inhoudelijk op de procedure van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) kan worden ingegaan omdat zonder diens toestemming geen gegevens van betrokkene aan derden kunnen worden verstrekt.
Bij besluit van 22 mei 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 januari 2006 (lees: 2007), verzonden op 1 februari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 15 maart 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Bij de brief van 17 juli 2003 heeft [naam] van Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] de minister verzocht ten behoeve van de vreemdeling gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid en hem alsnog in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning.
2.2. De staatssecretaris klaagt in de grieven onder meer dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat de brief van 17 juli 2003 geen aanvraag als bedoeld in het derde lid van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) behelst, zodat zijn bij brief van 6 november 2003 gegeven reactie geen besluit inhoudt. Hij stelt in dit verband onder meer dat uit de brief van 17 juli 2003 niet blijkt dat deze namens de vreemdeling is geschreven en betoogt dat de opsteller ervan noch Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] belanghebbende is bij het verzoek.
2.3. De brief van 17 juli 2003 is afkomstig van en ondertekend in opdracht van [naam], voornoemd. Daaruit blijkt niet dat deze of Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] handelde als gemachtigde van de vreemdeling. Voorts heeft voornoemde [naam] noch Vluchtelingenwerk AZC [plaatsnaam] gesteld belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het in die brief gedane verzoek te zijn.
2.4. Omdat de brief van de minister van 6 november 2003 daarom geen afwijzing van enige aanvraag behelst en derhalve geen besluit is in de zin van de Awb is, heeft de minister het door de vreemdeling daartegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De grieven slagen.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 mei 2006 ongegrond verklaren.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 25 januari 2006 (lees: 2007) in zaak no. AWB 06/31110;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g. De Groot
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2007
210
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak