Uitspraak
200206043/1), brengt de omstandigheid dat het overgangsrecht bepaald gebruik toestaat niet zonder meer mee dat ten behoeve van dat gebruik ook gebouwd mag worden. Dat het gebruik van het perceel, zoals dat eind 2001 plaatsvond, naar gesteld, ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften mag worden voortgezet, heeft derhalve niet de betekenis die appellante daaraan gehecht wil zien. Het betoog faalt.
200500885/1), waarnaar appellante in dit verband heeft verwezen, stond de wijze waarop de belangen van de omwonenden dienden te worden gewogen centraal. In deze zaak gaat het om de strijdigheid met het provinciaal beleid. Dat het bouwplan, naar gesteld, niet in strijd is met de Wet geluidhinder, betekent voorts niet dat het college de gevraagde verklaring niet mede uit een oogpunt van preventie van geluidhinder mocht weigeren. Ook mocht het college de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan betrekken bij de beoordeling of het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.