ECLI:NL:RVS:2007:BA5474

Raad van State

Datum uitspraak
16 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200701545/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • P.A. Offers
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:2 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

Appellant verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 16 november 2005 werd geweigerd. Dit besluit werd niet aangevochten en is daarmee onherroepelijk geworden. Op 19 juni 2006 werd een vergelijkbaar besluit ambtshalve genomen, waartegen appellant beroep instelde. De rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.

De Afdeling stelt dat het besluit van 19 juni 2006 materieel gelijk is aan het eerdere besluit van 16 november 2005 en dat toetsing door de rechter alleen mogelijk is indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd die relevant zijn voor de zaak. De door appellant overgelegde brieven van de Ethiopische ambassade waren reeds bekend of hadden eerder overlegd moeten worden, waardoor deze geen nieuwe feiten vormen.

Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep bij de rechtbank ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

200701545/1.
Datum uitspraak: 16 mei 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/35421 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 1 februari 2007 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voor zover hier van belang, geweigerd om appellant ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 1 februari 2007, verzonden op 2 februari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 13 maart 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.
2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak no. 200700590/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.
2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na de eerdere beslissing zijn voorgevallen of die niet vóór die beslissing konden en derhalve, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van de eerdere beslissing konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan de eerdere beslissing kan afdoen.
2.1.3. Bij besluit van 16 november 2005 is geweigerd appellant op de voet van het beleid, zoals ten tijde van belang neergelegd in hoofdstuk C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, gewijzigd bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2005/11, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden.
Het tegen het besluit van 19 juni 2006 ingestelde beroep strekt er aldus toe dat de rechter dezelfde kwestie opnieuw beoordeelt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, doet het feit dat het besluit van 19 juni 2006 niet op aanvraag is genomen er niet aan af dat dit besluit materieel op een lijn staat met de eerdere beslissing van 16 november 2005. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte niet onderzocht of ten opzichte van laatstgenoemd besluit sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De grief behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling beoordelen of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
2.3. Ten aanzien van de overgelegde brief van de Ethiopische ambassade van 6 september 2005 overweegt de Afdeling dat appellant deze brief voorafgaand aan de eerdere beslissing had kunnen en derhalve had behoren over te leggen. Het bewijs van de aanvraag bij de IOM van 5 september 2005 is reeds betrokken bij het eerdere besluit van 16 november 2005. De inhoud van de brief van de Ethiopische ambassade van 22 november 2005 is gelijkluidend aan de eerder genoemde brief van 6 september 2005 en kan, reeds hierom, geen afbreuk doen aan het eerdere besluit.
Gelet hierop, is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Hieruit volgt dat het bij de rechtbank bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, niet door de bestuursrechter kunnen worden getoetst. De Afdeling zal het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 1 februari 2007 in zaak no. AWB 06/35421;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Van Roosmalen
Voorzitter ambtenaar van Staat
53.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,