Uitspraak
200601367/1, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.
Raad van State
Bij besluit van 4 januari 2006 verleende het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een milieuvergunning aan een aannemersbedrijf voor activiteiten op drie locaties. Na vernietiging van dit besluit door de Afdeling bestuursrechtspraak in augustus 2006, verleende verweerder op 1 februari 2007 opnieuw een vergunning. Verzoekers, buren van het terrein, stelden beroep in en vroegen om een voorlopige voorziening.
De Voorzitter behandelde het verzoek op 24 april 2007 en overwoog dat de vergunning deels betrekking had op een terrein dat onder de reikwijdte van de vergunning van verzoekers viel. Dit is strijdig met het systeem van de Wet milieubeheer. Verder werden bezwaren over geluid, achteruitrijsignalering en bereikbaarheid inhoudelijk beoordeeld, maar deze boden geen aanleiding voor een voorlopige voorziening.
De Voorzitter besloot het besluit van 1 februari 2007 te schorsen voor het zuidelijk deel van het met de letter D aangeduide terreingedeelte tot aan het verlengde van het hek achter de woonwagen van verzoeker. Voor het overige werd het verzoek afgewezen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoekers.
Uitkomst: De milieuvergunning wordt geschorst voor het zuidelijk deel van het terrein en het verzoek wordt voor het overige afgewezen.