ECLI:NL:RVS:2007:BA5490

Raad van State

Datum uitspraak
16 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200702384/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D.A.C. Slump
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 5 voorschriften bestemmingsplan BuitengebiedArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen bouwvergunning dienstwoning in buitengebied 's-Hertogenbosch

Het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch verleende op 18 oktober 2005 een vrijstelling en bouwvergunning aan vergunninghoudster voor het bouwen van een dienstwoning op een perceel in het buitengebied van 's-Hertogenbosch. Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 5 december 2006 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch het beroep van verzoekers ongegrond bij uitspraak van 22 februari 2007.

Verzoekers wendden zich tot de Raad van State met een verzoek om een voorlopige voorziening, waarbij zij stelden dat het bouwplan onterecht niet was getoetst aan het criterium van continuïteit van de bedrijfsvoering zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied". De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek op 2 mei 2007 en hoorde daarbij alle betrokken partijen.

De Voorzitter oordeelde dat het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer buiten twijfel staat en dat het aannemelijk is dat het criterium van continuïteit van de bedrijfsvoering in de bodemprocedure zal worden getoetst. Gezien de belangenafweging besloot de Voorzitter het besluit van het college van 18 oktober 2005 en het besluit van 5 december 2006 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan verzoekers vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot verlening van de bouwvergunning en het besluit tot afwijzing van bezwaar zijn bij voorlopige voorziening geschorst.

Uitspraak

200702384/2.
Datum uitspraak: 16 mei 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 07/244 en 07/245 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 februari 2007 in het geding tussen:
verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een dienstwoning op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, het door verzoekers daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 februari 2007, verzonden op 23 februari 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door verzoekers daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 30 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2007, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 30 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2007, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 mei 2007, waar verzoekers, in persoon en bijgestaan door J.F.M. van Miltenburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, als belanghebbende, vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houten en Th. van Pinxteren, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    De Voorzitter acht niet buiten twijfel dat het oordeel van de voorzieningenrechter, dat het college het bouwplan terecht niet heeft getoetst aan het in artikel 3, vijfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" neergelegde criterium dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van vergunninghoudster op langere termijn aannemelijk dient te zijn, in de bodemprocedure in stand zal blijven. Gelet hierop, en na afweging van de betrokken belangen, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.3.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 5 december 2006, kenmerk SO/JUR p.v.: 50262, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 18 oktober 2005, kenmerk SOB0009930;
II.    gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump                          w.g. Van Roessel
Voorzitter                          ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007
457