ECLI:NL:RVS:2007:BA6018

Raad van State

Datum uitspraak
30 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200608972/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 7.8b Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging revisievergunning vleeskuikenhouderij wegens gebrekkige bekendmaking milieu-effectrapport

Bij besluit van 20 oktober 2006 verleende het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg een revisievergunning voor het houden van 84.000 vleeskuikens in een stal met mixluchtventilatie. Dit besluit werd op 2 november 2006 ter inzage gelegd. Appellanten, bewoners en belanghebbenden, maakten bezwaar tegen het besluit en stelden beroep in bij de Raad van State.

Appellanten voerden aan dat de bekendmaking van de beslissing dat geen milieu-effectrapport (MER) hoefde te worden gemaakt niet op correcte wijze had plaatsgevonden, in strijd met artikel 7.8b van de Wet milieubeheer. Het bevoegd gezag had namelijk nagelaten de vereiste kennisgeving in de Staatscourant te plaatsen.

De Raad van State oordeelde dat het besluit hierdoor in strijd met de wettelijke bepalingen tot stand was gekomen en vernietigde het besluit. De overige beroepsgronden werden niet behandeld. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellanten.

Uitkomst: Het besluit tot verlening van de revisievergunning wordt vernietigd wegens niet correcte bekendmaking van de beslissing dat geen milieu-effectrapport nodig is.

Uitspraak

200608972/1.
Datum uitspraak: 30 mei 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], respectievelijk gevestigd te Hengelo en Hardenberg en wonend te Hardenberg,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuikenhouderij gelegen aan de [locatie] te Hardenberg. Dit besluit is op 2 november 2006 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 13 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 januari 2007.
Bij brief van 30 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en verweerder, vertegenwoordigd door L. Brondijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
2.    Overwegingen
2.1.    Bij het bestreden besluit is onder meer vergunning verleend voor het houden van 84.000 vleeskuikens in een stal met mixluchtventilatie.
2.2.    Appellanten betogen dat de bekendmaking van de beslissing dat geen milieu-effectrapport moet worden gemaakt, niet op correcte wijze heeft plaatsgevonden, waardoor niet aan de bepalingen uit hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is voldaan.
2.2.1.    Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer - voor zover hier van belang - neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.
Ingevolge artikel 7.8b, vijfde lid, van de Wet milieubeheer - voor zover hier van belang - doet het bevoegd gezag mededeling van zijn beslissing, indien is beslist dat voor de activiteit geen milieu-effectrapport moet worden gemaakt, door kennisgeving in de Staatscourant.
2.2.2.    Vaststaat dat verweerder heeft beslist dat voor de activiteit geen milieu-effectrapport behoeft te worden gemaakt. Ter zitting is gebleken dat van voornoemde beslissing geen kennisgeving in de Staatscourant is gedaan. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 7.8b, vijfde lid, van de Wet milieubeheer tot stand gekomen.
2.3.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het beroep gegrond;
II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg van 20 oktober 2006, kenmerk 06-62;
III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 622,00 (zegge: zeshonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hardenberg aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV.    gelast dat de gemeente Hardenberg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Van Hardeveld
Voorzitter     ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007
312-517.