ECLI:NL:RVS:2007:BA7020
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Belangenafweging bij verlenging verblijfsvergunning na strafrechtelijke veroordeling
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of de minister terecht de verblijfsvergunning van een vreemdeling had geweigerd na een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden wegens een drugsdelict. De vreemdeling had ondanks de veroordeling tweemaal een verlenging van zijn verblijfsvergunning gekregen en had gedurende die periode gezinsleven met zijn Nederlandse dochter.
De minister had bij zijn besluit zwaar laten wegen dat de vreemdeling lange tijd zonder verblijfsvergunning in Nederland verbleef, weinig betrokken was bij de opvoeding en het levensonderhoud van zijn dochter, en sociale banden met het land van herkomst had. De rechtbank had geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de verlengingen van de verblijfsvergunning geen bijzondere betekenis hadden in de belangenafweging.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de minister deze omstandigheid wel degelijk had betrokken bij zijn belangenafweging en dat dit niet leidde tot een onvoldoende gemotiveerd besluit. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond. De Raad stelde dat het algemeen belang bij het voorkomen van strafbare feiten zwaarder woog dan het persoonlijke belang van de vreemdeling en zijn dochter.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de weigering van verlenging van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.