AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen intrekking vergunning varkenshouderij wegens geurhinder
Op 1 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland de vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij, verleend in 1991, ingetrokken wegens ontoelaatbare geurhinder nabij aaneengesloten woonbebouwing.
Verzoekers betwisten het bevoegd gezag en de overschrijding van drempelwaarden, maar de Voorzitter oordeelt voorlopig dat het college bevoegd is. De intrekking is gebaseerd op artikel 8.25 van de Wet milieubeheer, waarbij het bevoegd gezag beleidsvrijheid heeft bij ontoelaatbare milieugevolgen.
De Voorzitter stelt dat de beoordeling van de redelijkheid van het besluit en de belangenafweging niet geschikt zijn voor voorlopige voorziening, maar gelet op de afstand tot woonbebouwing en de dreiging van onomkeerbare gevolgen voor het bedrijf, wordt het besluit geschorst. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan verzoekers vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de vergunning wordt geschorst en het griffierecht aan verzoekers vergoed.
Uitspraak
200702693/2.
Datum uitspraak: 4 juni 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B], respectievelijk gevestigd en wonend te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2007 heeft verweerder op grond van artikel 8.25, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer de op 26 februari 1991 aan verzoekers verleende vergunning ingevolge de Hinderwet en alle bijbehorende veranderingsvergunningen voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij, op het perceel [locatie] te [plaats], ingetrokken.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 16 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 16 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 mei 2007, waar [verzoeker B] en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.A.M. Priems, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Tevens zijn [partij] en namens het college van burgemeester en wethouders van Middelharnis, P. Visser, ambtenaar van de gemeente, en namens de vereniging "Huurdersvereniging Middelharnis" J.G. Bosma, gemachtigde, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoekers voeren aan het niet vanzelfsprekend te vinden dat verweerder het bevoegd gezag met betrekking tot zijn bedrijf is. Zij stellen dat de drempelwaarden van categorie 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (verder: Ivb) niet worden overschreden.
Verweerder stelt dat in de inrichting meer dan 1.000 m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zoals genoemd in categorie 28.4, aanhef en onder a, sub 6, van bijlage I van het Ivb worden opgeslagen en meer dan 15.000 ton van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zoals genoemd in categorie 28.4, aanhef en onder c, sub 1 van bijlage I van het Ivb worden verwerkt.
De Voorzitter overweegt dat naar zijn voorlopig oordeel uit de vigerende vergunning genoegzaam blijkt dat verweerder het bevoegd gezag met betrekking tot de onderhavige inrichting is. Het verzoek treft in zoverre geen doel.
2.3. Verweerder heeft de vergunning ingetrokken wegens het naar zijn mening voorkomen van ontoelaatbare geurhinder ter plaatse van de aaneengesloten woonbebouwing van de gemeente Middelharnis.
2.4. Ingevolge artikel 8.25, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ontoelaatbaar nadelige gevolgen, komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.
Indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt is verweerder bevoegd de vergunning in te trekken; het bevoegd gezag komt daarbij beleidsvrijheid toe.
De Voorzitter overweegt dat de vragen of verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van ontoelaatbare geurhinder en, indien dit het geval is, hij bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de vergunning heeft kunnen intrekken, zich niet lenen voor een behandeling in voorlopige voorziening en eerst in de bodemprocedure aan de orde kunnen komen. Thans dient te worden bezien of er gelet op de betrokken belangen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
De onderhavige inrichting is sinds 1991 op de onderhavige locatie gelegen en bevindt zich op een afstand van circa 1400 meter van de dichtstbijzijnde aaneengesloten woonbebouwing. Bij de vergunningverlening is destijds bepaald dat ter voorkoming van stankhinder een minimale afstand van 170 meter tot aaneengesloten woonbebouwing in acht dient te worden genomen. Verder is ter zitting aannemelijk gemaakt dat uitvoering van het bestreden besluit al op korte termijn tot onomkeerbare gevolgen voor het bedrijf zal leiden.
Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven nog voor de uitspraak in de bodemprocedure tot sluiting van de onderhavige inrichting te willen overgaan, is de Voorzitter van oordeel dat het bestreden besluit gelet op de betrokken belangen voor schorsing in aanmerking komt.
2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 1 maart 2007, kenmerk DGWM/2007/2837;
II. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.