Uitspraak
200302351/1 en 200302351/2heeft de Afdeling het door het college ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 maart 2003 ongegrond verklaard en die uitspraak bevestigd.
200302949/1(Gst. 7202, 30) overweegt de Afdeling dat de aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen minder zwaar zijn, naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op het bestaande planologische regime geringer is. Nu het bestemmingsplan het oprichten van een woning op het perceel toestaat en de vrijstelling alleen betrekking heeft op relatief geringe overschrijdingen van bebouwingsgrenzen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan een geringe inbreuk maakt op het bestaande planologische regime. Gelet hierop en gezien het feit dat in het aan de beslissing op bezwaar van 27 juli 2004 ten grondslag liggende advies van de bezwaarschriftencommissie van 13 juli 2004 de ruimtelijke onderbouwing is aangevuld, is er geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Daarbij is in aanmerking genomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omstandigheid dat op het oostelijk gelegen perceel [locatie 2] een uitbouw is gerealiseerd tot de perceelsgrens, in beginsel niet rechtvaardigt dat de bebouwingsmogelijkheid van het perceel [locatie] wordt beperkt. Anders dan appellanten betogen, is deze uitbouw slechts als bestaande bebouwing op de plankaart aangeduid en niet als zodanig bestemd.
200302351/1 en 200302351/2, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de veronderstelde strijd van het souterrain met het bestemmingsplan voor het college bepalend was voor het afwijken van voormeld advies in eerste instantie. Nu van voormelde strijd geen sprake is, moet met de rechtbank geoordeeld worden dat daarmee voor het college de grondslag verviel om van voormeld advies af te wijken en kon het college in de beslissing op bezwaar het advies zonder nadere toelichting overnemen.
200506294/1(AB 2006, 236) betreft de door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, een algemeen verbindend voorschrift waarvan de bekendmaking ingevolge artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet dient te geschieden door plaatsing in het Provinciaal Blad. Naar door appellanten ter zitting is betoogd en door het college niet weersproken, was voormelde lijst ten tijde van het besluit van 27 juli 2004 niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Hieruit volgt dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak en het besluit van 27 juli 2004 komen dan ook voor vernietiging in aanmerking.