ECLI:NL:RVS:2007:BA7083
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- A.W.M. Bijloos
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek om Nederlanderschap wegens bedenkingen tegen verblijf
Appellante verzocht om verlening van het Nederlanderschap, maar de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wees dit verzoek op 1 december 2004 af. Het bezwaar van appellante tegen deze afwijzing werd op 3 mei 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank Dordrecht verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing eveneens ongegrond op 7 juli 2006.
Appellante stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd bedenkingen bestaan, omdat het beleid omtrent vreemdelingenwetgeving en naturalisatie op elkaar afgestemd moeten zijn en er geen rekening gehouden mocht worden met de mogelijkheid van intrekking van haar verblijfsvergunning.
De Raad van State overwoog dat volgens artikel 8 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap alleen verlening mogelijk is als tegen het verblijf van de verzoeker voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan. Appellante beschikte ten tijde van het besluit over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met een beperking vanwege verblijf bij haar echtgenoot, maar was sinds juni 2003 niet meer op hetzelfde adres ingeschreven en was in september 2003 gescheiden. Hierdoor bestond er een gegronde reden om de verblijfsvergunning in te trekken.
De Raad van State oordeelde dat de minister terecht het verzoek had afgewezen omdat op dat moment bedenkingen tegen het verblijf bestonden. Het feit dat appellante later een aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning indiende, leidde niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om Nederlanderschap bevestigd wegens bedenkingen tegen het verblijf.