ECLI:NL:RVS:2007:BA7104
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot uitlezen mobiele telefoon bij vreemdelingenbewaring bevestigd
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de inbewaringstelling van een vreemdeling had opgeheven wegens het ontbreken van nieuwe feiten die zicht op uitzetting rechtvaardigen. Centraal stond de vraag of het uitzoeken van gegevens op de mobiele telefoon van de vreemdeling rechtmatig was.
De Raad van State oordeelde dat de bevoegdheid tot het onderzoeken van de mobiele telefoon, aangetroffen bij een opgehouden vreemdeling, haar grondslag vindt in artikel 50, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de informatie uit het telefoononderzoek niet rechtmatig was verkregen en dat de staatssecretaris onbehoorlijk had gehandeld.
Verder stelde de Raad dat de nieuwe identiteitsgegevens die uit het telefoononderzoek naar voren kwamen, aanleiding gaven voor een nieuwe inbewaringstelling. De eerdere opheffing van de bewaring door de rechtbank was daarom onterecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.