ECLI:NL:RVS:2007:BA7129
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming van hoger beroep tegen besluit buiten behandelingstelling verblijfsvergunning
Appellante diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 16a van de oude Vreemdelingenwet. Deze aanvraag werd op 22 februari 2001 buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Het bezwaar van appellante tegen deze buiten behandelingstelling werd aanvankelijk ongegrond verklaard, maar later door de minister ingetrokken en gegrond verklaard, waarna de aanvraag alsnog in behandeling werd genomen.
Vervolgens wees de minister de aanvraag op 13 mei 2005 af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de afwijzing als beroep en verklaarde dit beroep ongegrond. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het hoger beroep slechts kan worden ingesteld tegen besluiten die zijn bekendgemaakt na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001, met uitzondering van beslissingen op bezwaar tegen besluiten die vóór die datum zijn bekendgemaakt. Omdat het bestreden besluit een beslissing op bezwaar betreft tegen een besluit van vóór de inwerkingtreding van de wet, verklaarde de Raad zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het openbaar op 5 juni 2007.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het besluit op bezwaar betreffende de buiten behandelingstelling van de verblijfsvergunningaanvraag.