ECLI:NL:RVS:2007:BA8684

Raad van State

Datum uitspraak
4 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200607777/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WoningwetArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering bouwvergunning garage te Bergen op Zoom

Het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom verleende aanvankelijk een lichte bouwvergunning voor het verhogen van een garage op een perceel te Bergen op Zoom. Na bezwaren van derden werd dit besluit herroepen en de bouwvergunning geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

Appellant stelde dat de garage in de perceelsgrens was gesitueerd en dat het bouwplan daarmee in overeenstemming was met het bestemmingsplan. De rechtbank liet deze stelling buiten beschouwing wegens vermeende strijd met de goede procesorde, hetgeen door de Raad van State werd verworpen.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank had moeten onderzoeken of de garage inderdaad in de perceelsgrens was gebouwd en dat het college het besluit tot weigering van de bouwvergunning ondeugdelijk had gemotiveerd. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het eerdere vonnis vernietigd en het college opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot weigering van de bouwvergunning en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het college dient opnieuw te beslissen.

Uitspraak

200607777/1.
Datum uitspraak: 4 juli 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de ongedateerde uitspraak in zaak no. 06/994 van de rechtbank Breda in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (hierna: het college) aan appellant lichte bouwvergunning verleend voor het verhogen van de garage op het perceel [locatie] te Bergen op Zoom (hierna: het perceel).
Bij besluit van 17 februari 2006 heeft het college de daartegen door [partijen] gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 8 augustus 2005 herroepen en vrijstelling en bouwvergunning geweigerd.
Bij ongedateerde uitspraak, aan appellant verzonden op 17 oktober 2006, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 20 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door H.J.M. Marcus, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.A.M. Suijkerbuijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord [partijen].
2.    Overwegingen
2.1.    Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft het college aan appellant vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de bestaande garage op het perceel. Vaststaat dat de gerealiseerde hoogte van de garage van deze bouwvergunning afwijkt. In verband daarmee is door appellant voor de afwijking bouwvergunning aangevraagd.
2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid en onder c, van de Woningwet, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.
Ingevolge artikel 44, derde lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de lichte bouwvergunning.
2.3.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nieuw Borgvliet" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Eengezinshuizen, bungalows met bijbehorende erven (EB)."
Ingevolge artikel 4, aanhef, van de planvoorschriften zijn de als "Eengezinshuizen, bungalows met bijbehorende erven (EB)" op de kaart aangewezen gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en erven.
Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen bij iedere woning bijgebouwen ten dienste van woondoeleinden, zoals garages, worden gebouwd, waarbij de afstand van ieder bijgebouw, waarvan de achtergevel dan wel één der zijgevels niet in een perceelsgrens wordt geplaatst, tot een perceelsgrens tenminste 3 m zal bedragen.
2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank de eerst ter zitting aangevoerde stelling van appellant dat de garage is gesitueerd in de perceelsgrens en dat om die reden het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan is, niet wegens strijd met de goede procesorde buiten het geding heeft mogen laten.
2.4.1.    Dit betoog slaagt. De rechtbank had in het kader van de op haar rustende verplichting om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen voormelde stelling van appellant in haar oordeel moeten betrekken, zodat geen grond bestond deze wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Blijkens de bouwtekening bij de aanvraag om bouwvergunning is de garage voorzien in de perceelsgrens. De omstandigheid dat de garage mogelijk feitelijk niet in de perceelsgrens is gebouwd, kan geen aanleiding geven de bouwvergunning te weigeren. De rechtbank heeft dit miskend.
2.5.        Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 17 februari 2006, nu deze ondeugdelijk is gemotiveerd, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van [partijen] te beslissen.
2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de ongedateerde uitspraak van de rechtbank Breda in zaak no. 06/994;
III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom van 17 februari 2006, kenmerk U06-003273;
V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1330,60 (zegge: dertienhonderddertig euro en zestig cent), waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bergen op Zoom aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VI.    gelast dat de gemeente Bergen op Zoom aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 euro (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Van Heusden
Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007
163-530.