ECLI:NL:RVS:2007:BA8708
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- R.F.J. Bindels
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing toevoeging rechtsbijstand niet-ontvankelijk verklaard
Appellante had bij de raad voor rechtsbijstand een aanvraag ingediend voor een toevoeging voor rechtsbijstand, welke op 12 juli 2005 werd afgewezen. Tegen deze beslissing maakte zij bezwaar, dat op 20 oktober 2005 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellante beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, dat op 16 november 2006 ongegrond werd verklaard.
Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde ambtshalve dat het beroepschrift niet duidelijk maakte dat het beroep namens appellante was ingesteld, mede omdat het beroepschrift in de ik-vorm was opgesteld en niet expliciet vermeldde dat het namens appellante werd ingediend. De advocaat van appellante gaf later aan dat het een kennelijke vergissing betrof, maar dit was onvoldoende om het beroep namens appellante te erkennen.
De Afdeling stelde vast dat de advocaat als rechtsbijstandverlener geen zelfstandig belang heeft om beroep in te stellen en daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Gevolg was dat het hoger beroep gegrond werd verklaard, de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep alsnog niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd het betaalde griffierecht van €105,- aan appellante terugbetaald.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onduidelijkheid over wie het beroep instelde.