ECLI:NL:RVS:2007:BA9150
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel ondanks integratie en eerdere detentie
Appellant, die veertien jaar in Joegoslavië en zeven jaar in Nederland heeft gewoond, kreeg zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken en werd ongewenst verklaard vanwege een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar wegens afpersing en opzetheling.
Hij voerde aan dat de daadwerkelijke duur van zijn detentie slechts zestien maanden bedroeg en dat hij volledig geïntegreerd was in Nederland, met familie en werk, waardoor zijn terugkeer naar Joegoslavië onredelijk zou zijn. Tevens stelde hij dat de criteria uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Boultif en Üner) tot een andere uitkomst hadden moeten leiden.
De Raad van State overwoog dat het begrip "ten uitvoer te leggen gedeelte van die straf" in de Vreemdelingenwet 2000 strikt moet worden uitgelegd als de strafmaat vermeld in het vonnis, ongeacht de daadwerkelijke duur van de detentie. Verder werd geoordeeld dat appellant niet zodanig is geïntegreerd dat zijn terugkeer onredelijk is en dat het algemeen belang van de bescherming van de openbare orde zwaarder weegt dan zijn persoonlijke belangen.
De eerdere goede gedragingen van appellant tijdens detentie werden onvoldoende geacht om tot een ander oordeel te komen. De Raad van State bevestigde daarom het besluit van de minister en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen en het besluit van de minister bevestigd.